Delen op
25 februari 2026

Interview met maatschappelijk werker Rozi Prins. Ze heeft zich gespecialiseerd in de behandeling van patiënten met vrouwenhartproblematiek

Wanneer is uw interesse voor het vrouwenhart ontstaan?
Mijn interesse groeide toen ik in de praktijk steeds vaker zag dat vrouwen anders reageren op een hartziekte dan mannen. Ze komen vaak met meer vermoeidheid, angst of somberheid en ervaren een lagere kwaliteit van leven. Daarnaast hoorde ik regelmatig terug dat vrouwen zich niet serieus genomen voelden met hun klachten. Dat raakte mij als maatschappelijk werker. Voor mij was dit hét moment om me te verdiepen in het vrouwenhart en een bijdrage te leveren aan betere en gelijkwaardige zorg.

Samen met een groep collega’s die hier óók meer over wilden weten, is er toen een werkgroep ontstaan. Vanuit passie en betrokkenheid gingen we zelfs buiten werktijd verder, omdat we dit onderwerp zo belangrijk vonden. De onduidelijkheid die nog bestond over vrouwenhartproblematiek prikkelde juist onze nieuwsgierigheid: hoe kunnen we deze groep beter begrijpen en ondersteunen? Hoe meer ik erover las, hoe meer ik wilde weten en hoe sterker mijn motivatie werd om hier iets mee te doen.

Waarom hebt u zich gespecialiseerd in het vrouwenhart?
Omdat ik zag dat juist psychosociale factoren bij vrouwen vaak zwaar wegen. Het gaat niet alleen om fysieke klachten, maar ook om de impact op hun gezin, werk en identiteit. Vrouwen hebben vaak een dubbele of zelfs driedubbele rol in hun dagelijks leven, waardoor een hartziekte veel meer kan ontwrichten. Als maatschappelijk werker ben ik gewend om die bredere context mee te nemen. Daarom voelde het voor mij heel vanzelfsprekend om me hierin te specialiseren.

Tegelijkertijd wilde ik, juist omdat vrouwen zich vaak niet begrepen voelen, een ander signaal afgeven. Ik vind het belangrijk om eerlijk te zijn over wat ik (nog) niet weet, maar ik wil wél zoveel mogelijk begrijpen en leren. Sommige vrouwen hebben een lange aanloop gehad naar hun diagnose, zijn bang gemaakt dat het “tussen de oren zat” en gingen maar door. Dat kan mij nog steeds raken. Ik ben blij als ik informatie kan geven die zorgt voor erkenning en begrip. Daarbij merk ik dat ik niet alleen veel heb aan literatuur, maar ook aan de praktijkervaringen van de afgelopen jaren. Het voelt soms onprettig dat er nog zoveel vragen zijn – over oorzaken, behandelingen, onderzoek. Maar juist dan vind ik eerlijkheid belangrijk: open vertellen wat wel en niet bekend is. Ik merk dat die oprechtheid veel betekent voor vrouwen, zeker na een periode waarin ze zich vaak miskend hebben gevoeld.

Behandelt u uitsluitend vrouwen, of ook mannen en mensen die zich anders identificeren?
In de basis behandel ik iedereen die in hartrevalidatie komt, dus zowel mannen als vrouwen en mensen die zich anders identificeren. Het vrouwenhartprogramma is speciaal ontwikkeld voor vrouwen, maar het is zeker niet uitsluitend. Voor sommigen sluit een regulier programma beter aan, voor anderen juist deze module. De kern is: iedereen is welkom en krijgt zorg die past. Wanneer er een man in de groep komt, wordt dat wel tevoren met de rest van de groep besproken.

Vindt u dat u een speciale rol vervult in het uitdragen van vrouwenhartproblematiek?
Ja, dat denk ik wel. In gesprekken met vrouwen hoor ik vaak hoe groot de impact van hun hartziekte is. Ik kan hen erkenning bieden en uitleg geven die hun klachten begrijpelijker maakt. Die ervaringen neem ik ook mee naar ons team en verder, om het bewustzijn over vrouwenhartproblematiek te vergroten. Voor mij voelt dat als een verantwoordelijkheid, maar ook als een motivatie: ik wil echt opkomen voor deze groep vrouwen, juist omdat ze zich zo vaak niet gehoord hebben gevoeld.

Tegelijkertijd zie ik mijn rol niet als de centrale spil, maar vooral als de verbinder. In bijvoorbeeld de lotgenotengroep ligt de kracht vooral bij het onderlinge contact tussen de vrouwen zelf. Mijn taak is om ruimte en veiligheid te creëren, zodat dat contact kan ontstaan en verdiepen. Die combinatie van opkomen voor deze groep én de verbinding faciliteren maakt dit werk voor mij heel waardevol.

Er wordt ook vaak vanuit andere klinieken gevraagd naar de specifieke kennis die ik in de tijd dat ik er mee werk heb opgedaan als maatschappelijk werker bij Basalt en ik deel deze graag.

In het verleden werd er smalend gedaan over vrouwenhartproblematiek. Hoe is dat nu?
Gelukkig is er veel veranderd. Waar het vroeger nog weleens werd afgedaan als een ‘hype’, merk ik nu meer erkenning en begrip. Binnen ons team bij Basalt is er veel gelijkwaardigheid: iedereen heeft zijn eigen expertise en dat wordt gerespecteerd. Dat maakt het ook makkelijker om thema’s als microvasculair lijden of psychosociale verschillen tussen mannen en vrouwen te bespreken.

De ontwikkelingen gaan snel. Hoe blijft u op de hoogte?
Ik volg vakliteratuur, webinars en congressen, maar haal ook veel kennis uit ons netwerk, zoals de samenwerking met het LUMC Women’s Heart Health Clinic. Daarnaast leer ik ontzettend veel van de vrouwen zelf: hun ervaringen en verhalen houden me scherp en zorgen dat ik de theorie steeds kan verbinden met de praktijk. Binnen de werkgroep delen we ook kennis en we hebben bijvoorbeeld samen een congres bezocht, zodat we daar later thuis gezamenlijk verder mee kunnen gaan. Ik lees ook graag alle boeken die over het ”vrouwenhart” verschijnen, deels om mijn eigen kennis te vergroten, maar ook om te weten wat patiënten lezen of om ze tips te geven voor literatuur. Ook krijg ik artikelen opgestuurd van cardiologen binnen het centrum.

Welke ontwikkelingen verwacht u op het gebied van het vrouwenhart?
Ik verwacht dat er meer erkenning komt voor diagnosen die bij vrouwen vaker voorkomen, zoals microvasculaire dysfunctie. Ook zie ik een toekomst waarin hartrevalidatieprogramma’s nog persoonlijker en meer op maat worden gemaakt, met meer aandacht voor psychosociale begeleiding. En hopelijk komt er steeds meer bewustzijn voor vroege risicofactoren, zoals complicaties tijdens de zwangerschap.

Waar ligt uw eigen focus de komende twee jaar?
Voor mij ligt de focus op het verder ontwikkelen van ons vrouwenhartprogramma. Ik denk dat er meer diversiteit mogelijk moet zijn, bijvoorbeeld in hoeveel beweging bij de patiënt past en welke bejegening past. Ik wil samen met collega’s blijven luisteren naar de ervaringen van patiënten en het programma daarop aanpassen. Ik vraag altijd de patiënten naar hoe ze het programma hebben ervaren, wat aansloot en wat beter zou kunnen. Ook zijn we onlangs onderzoek gestart om het programma wetenschappelijk te evalueren. Daarnaast vind ik het belangrijk om andere Basalt-locaties mee te nemen in deze ontwikkeling, zodat meer vrouwen de kans krijgen om in een traject te komen dat bij hun specifieke situatie past.

Wat zijn uw specifieke taken in een hartrevalidatietraject, en hoe verloopt de samenwerking?
Ik help patiënten omgaan met de gevolgen van hun hartziekte, zowel emotioneel als praktisch. Dat kan gaan over angst en depressie, maar ook over de balans tussen werk, gezin en herstel. De samenwerking binnen het team is heel prettig: we werken echt naast elkaar, zonder hiërarchie. Daardoor voelt iedereen zich gehoord en kunnen we samen zorg op maat bieden. In het programma leid ik de modules ”emotionele verwerking” en ”energieverdeling”. Hierin zie ik als mijn rol om een veiligheid te creëren, zodat patiënten hun verhaal durven te delen en elkaar kunnen steunen. In het intakegesprek vertellen we over de mogelijkheden en wordt er een individueel programma gemaakt met welke modules en of er individuele gesprekken meegenomen zullen worden. Vaak houden we 3-5 individuele gesprekken, maar het kan erg verschillen. Bij patiënten die hulp nodig hebben van een psycholoog of ergotherapeut is het meestal wat minder vaak. Sommige patiënten geven aan dat ze hun eigen weg willen gaan, maar de meeste nemen het aanbod tot individuele gesprekken aan. Daarnaast begeleid ik de lotgenotengroep, wat we als een heel belangrijk en heilzaam deel van de behandeling zien. Ik zie mijn rol zowel binnen het team als in de modules die ik leid als de verbinder tussen de onderlinge contacten. 

Welke verschillen ervaart u tussen het vrouwenhartprogramma en reguliere programma’s?
Het vrouwenprogramma legt meer nadruk op lotgenotencontact. Vrouwen vinden het vaak waardevol om hun verhaal te delen en herkenning te vinden bij elkaar. Daarnaast is er meer ruimte voor psychosociale thema’s, die in reguliere programma’s soms minder nadrukkelijk aan bod komen. Ook is het programma sterker gericht op leren omgaan met de gevolgen van hun hartziekte, in plaats het fysiek opbouwen, zoals dat meer aan bod is bij regulaire hartrevalidatie. Het gaat dus zowel om erkenning en steun als om praktische strategieën om het dagelijks leven beter te kunnen organiseren en volhouden. Ik ervaar de patiëntenpopulatie ook als anders, het zijn vaak mensen die gewend zijn verantwoordelijkheid op meerdere vlakken in het leven te nemen, veel ballen in de lucht houden. Vaak moeilijkheden hebben om hun grenzen te herkennen en aan te geven. Daarbij heerst er vaak een schuldgevoel dat ze alles niet meer op dezelfde manier kunnen doen zoals vroeger. Al deze factoren nemen we mee in de behandeling. Ook is het accepteren en verwerken van de diagnose anders, deels omdat ze vaak een lange weg hebben gegaan om erkenning voor hun klachten te krijgen. Ze hebben vaak lang te horen gekregen dat het ”tussen de oren” zat, wat heel anders is in een groep met patiënten die het reguliere programma volgen. In de module ”energieverdeling” komt duidelijk het verschil naar voren dat vermoeidheid en stress de klachten beïnvloeden, maar dat dit iets anders is als dat de oorzaak hiervan ”tussen de oren” zit. Dit accepteren is vaak een belangrijk onderdeel van verder komen.

Hebben vrouwen over het algemeen een andere benadering nodig dan mannen?
Ja, dat zie ik regelmatig. Vrouwen presenteren zich vaak met andere klachten, en die vragen om een andere manier van luisteren en begeleiden. Ook hechten vrouwen vaak meer waarde aan de psychosociale ondersteuning en het contact met lotgenoten. Dat betekent niet dat mannen die behoefte niet hebben, maar bij vrouwen ligt het vaak meer op de voorgrond.

Is er verschil in hoe patiënten openstaan voor hulp van een maatschappelijk werker in het vrouwenprogramma?
Ja, in de vrouwenmodule merk ik dat de drempel lager is. Omdat psychosociale zorg daar expliciet onderdeel van het programma is, voelen vrouwen zich vrijer om hulp te vragen. In reguliere programma’s kost het soms meer tijd om die openheid te creëren.

Hebt u bewust gekozen om in dit vrouwenhartprogramma te werken?
Zeker. Ik zie dit niet alleen als een professionele uitdaging, maar ook als een persoonlijke missie. Ik wil bijdragen aan erkenning voor vrouwen met hartklachten en ervoor zorgen dat zij de steun krijgen die ze verdienen. Het geeft mij veel voldoening om te zien dat vrouwen zich gehoord voelen en met meer vertrouwen hun revalidatie en toekomst ingaan.

Interview Rozi Prins met Lucia Latijnhouwers.

Er is met hart en ziel aan dit artikel gewerkt. Het eigendom ligt dan ook bij Stichting VrouwenHart. We stellen het zeer op zeer prijs als u ons helpt om deze informatie te verspreiden. Doe dat dan alstublieft via de knoppen onder dit artikel. Dan blijft onze naam erbij staan en kunnen geïnteresseerden de rest van onze informatie ook vinden. Mocht u dit artikel op een andere manier willen verspreiden: dat kan ook, maar wel in overleg. Neem dan even contact op met redactie@vrouwenhart.nl . Elke andere wijze van kopiëren of verspreiden is niet toegestaan. Alle columns, interviews en andere redactionele artikelen op deze website zijn eigendom van Stichting VrouwenHart. Deze mogen NIET worden verveelvoudigd, gekopieerd, gepubliceerd, opgeslagen, aangepast of gebruikt in welke vorm dan ook, online of offline, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van onze redactie.


Reacties

Geef een reactie