Delen op
8 oktober 2025

Interview drs. Marte van der Bijl, arts-onderzoeker Erasmus MC

Ze studeerde geneeskunde in Rotterdam, verdiepte zich al tijdens haar bachelor in vrouwspecifieke factoren bij hartklachten, en rolde direct na haar afstuderen het promotietraject in. Drs. Marte van der Bijl doet als arts-promovendus aan het Erasmus MC onderzoek naar de redenen waarom vrouwen minder vaak deelnemen aan hartonderzoek, en hoe we dat kunnen verbeteren. In haar nieuwe HEARTS-studie kijkt ze onder meer naar redenen waarom vrouwen ‘ja’ of ‘nee’ zeggen tegen deelname. In dit interview vertelt ze over haar drijfveren, het MARIE CURIE-project, en waarom een one-pager soms meer kan betekenen dan een stapel formulieren.

Drs. Marte van der Bijl, arts-onderzoeker Erasmus MC, gespecialiseerd in vrouwenspecifieke hart- en vaatziekten en deelname van vrouwen aan hartonderzoek.

Waar heb je geneeskunde gestudeerd en in welk jaar ben je afgestudeerd?

Ik heb geneeskunde gestudeerd aan het Erasmus MC in Rotterdam en ben in 2023 afgestudeerd.

Heb je na je afstuderen nog klinische ervaring opgedaan voordat je aan je promotietraject begon?

Nee, ik ben eigenlijk direct na mijn laatste coschap begonnen met mijn promotietraject. Mijn interesse voor vrouwen en hart- en vaatziekten begon eigenlijk al tijdens de bachelor. Samen met Jeanine Roeters van Lennep deed ik toen een klein onderzoeksproject over het voorkomen van hartinfarcten in relatie tot de menstruele cyclus. We vroegen ons af of de hormonale schommelingen in bepaalde fasen van de menstruele cyclus invloed konden hebben op het krijgen van een hartinfarct. We hebben hierover samen een artikel geschreven, gebaseerd op een beperkte groep patiënten. Dat project raakte me; ik was meteen enthousiast voor het onderwerp.

Voor mijn masteronderzoek onderzocht ik vrouwen die een ernstige zwangerschapsvergiftiging (pre-eclampsie) hebben doorgemaakt en daardoor een verhoogd risico lopen op hart- en vaatziekten. Jeanine Roeters van Lennep heeft daar samen met de afdeling gynaecologie een speciale polikliniek voor opgezet, waaraan ook onderzoek verbonden is. Mijn onderzoek richtte zich op de vraag wat vrouwen zou kunnen motiveren of juist weerhouden om fysiek actief te zijn, dus meer op preventie. Ook tijdens mijn promotietraject doe ik nog steeds projecten binnen dit thema.

Daarna ben ik bij Jeanine blijven meedraaien in verschillende onderzoeksprojecten, en zo ben ik uiteindelijk in het promotietraject gerold.

Sinds wanneer werk je als arts-promovendus aan het Erasmus MC, en binnen welke afdeling valt jouw onderzoek?

Sinds september 2023 werk ik als arts-promovendus aan het Erasmus MC. Ik ben dus na mijn afstuderen binnen dezelfde muren gebleven. Mijn onderzoek valt onder de afdeling Interne Geneeskunde, al werken we natuurlijk ook veel samen met de cardiologie.

Waar hoop je je in de toekomst op te richten, binnen de cardiologie of het onderzoek?

Ik zou in de toekomst graag een combinatie willen van onderzoek en patiëntenzorg, bijvoorbeeld door de helft van mijn tijd te besteden aan onderzoek, en de andere helft aan klinisch werk als arts. Ik merk dat ik het onderzoek ontzettend leuk vind, en het is heel waardevol dat ik er nu fulltime tijd voor heb. Maar ik mis soms wel het directe contact met patiënten. Gelukkig zie ik in onderzoek verband af en toe nog patiënten, bijvoorbeeld bij grotere studies waar nieuwe medicijnen worden getest. Die momenten geven me veel energie.

In de toekomst zou ik me het liefst richten op vrouwspecifieke aandoeningen, misschien vanuit de interne geneeskunde, of in combinatie met de gynaecologie. Dat brede perspectief spreekt me aan. Ik vind het bijvoorbeeld interessant hoe hormonale veranderingen, zoals tijdens de menstruele cyclus, samenhangen met hart- en vaatziekten. Die verbindingen verder onderzoeken én vertalen naar de praktijk, dat lijkt me het mooiste wat er is.

Op welk moment wist je: ik wil me verdiepen in vrouwen en hart- en vaatziekten?

Tijdens mijn bachelor werd ik al gegrepen door het onderwerp. Ik deed een project over het verband tussen de menstruele cyclus en het optreden van hartinfarcten. Daar werd ik gelijk enthousiast van en ik ben eigenlijk altijd op een manier bij het onderwerp betrokken gebleven.

Wat trok jou in het bijzonder aan binnen de cardiologie, en wat maakte dat je uiteindelijk voor een promotietraject koos?

Het feit dat er nog heel veel onontdekt is, dat sprak me heel erg aan. En daarmee ook de vertaalslag naar de praktijk: dat je voor patiënten nog veel zou kunnen betekenen. Dat vond ik aantrekkelijk. Het is lastig precies te zeggen wat het is, maar dat vrouwspecifieke heeft me gewoon heel erg gegrepen. Al vroeg tijdens mijn studie, en dat enthousiasme is denk ik ook gewoon heel erg aangewakkerd door Jeanine. Zij houdt zich daar natuurlijk al lang mee bezig. Ze is zo enthousiast, dat enthousiasme slaat dan gewoon over.

Je hebt inmiddels ervaring opgedaan met verschillende soorten onderzoek. Wat spreekt jou het meest aan in het doen van onderzoek?

Dat is een goede vraag. Ik word het meest enthousiast van onderzoek dat een duidelijk klinische link heeft, dus een directe link met patiënten en toepassing in de praktijk. Een voorbeeld is een nieuwe studie die we gaan doen waarin we patiënten verschillende video’s laten zien van informatie over een nieuw soort hart- en vaatziekteonderzoek. We doen onderzoek naar de voorkeuren van patiënten over de manier waarop zij benaderd willen worden voor deelname aan zo’n studie. Als we daar verschillen in voorkeuren vinden, kunnen we daar heel concreet aanbevelingen voor de praktijk op baseren. Dat vind ik heel leuk.

Ook de samenwerking met andere disciplines, zoals psychologie en sociologie, spreekt me in dit laatste onderzoek erg aan.

En waarom?

Omdat je daarmee in de praktijk, denk ik, het meeste kunt bereiken. Je krijgt sneller nieuwe inzichten door samen te werken met andere disciplines en je kunt echt iets concreets voor de praktijk betekenen. En dat is wat mij drijft.

Welke ontwikkelingen verwacht jij voor de komende jaren op het gebied van het vrouwenhart?

Ja, dan ga ik toch voor het gebied waar ik dan zelf het meeste onderzoek naar doe. Maar ik hoop dat we met het MARIE CURIE project kunnen bijdragen aan het vergroten van het aantal vrouwen dat wil deelnemen aan hart- en vaatziektenonderzoek. En ik verwacht ook: als dat gebeurt, we veel meer bewijs zullen hebben en dus ook meer informatie die in de praktijk gebruikt kan worden voor de behandeling van vrouwen.

In je presentatie voor IMPRESS van het MARIE CURIE-project leg je het heel helder uit: Waarom vrouwen minder vaak meedoen vaak meedoen aan hartonderzoek. Wat verraste jou persoonlijk het meeste daaraan?

Ik denk toch misschien wel het feit dat vrouwen, tenminste, dat wordt in de literatuur gezegd, wat risicoaverser zijn. En ergens wist ik dat op zich wel. Maar het was niet het eerste argument dat in me opkwam als je denkt aan ondervertegenwoordiging van vrouwen. En dat vrouwen over het algemeen dus ook veel zorgvuldiger afwegen of ze mee willen doen: ze lezen alles en overwegen de risico’s nauwgezet. Een beetje gechargeerd gezegd: Mannen zetten veel sneller een krabbel en zeggen: ‘Joh, ja is goed, ik doe wel mee.’

En dat merkte ik ook echt in de praktijk. En dat verbaasde me ook heel erg. Dus toch het gemak waarin sommige mensen dan meedoen, ten opzichte van vrouwen die, wat ik heel terecht vind, wat kritischer zijn. En dat dat er misschien ook wel voor zorgt dat het bij vrouwen gewoon wat meer tijd kost om het te laten bezinken en dat er goede uitleg bij nodig is. Maar dat die tijd er gewoon niet altijd is. Hoe je mensen benadert, dat maakt echt verschil.

Je onderzocht ook hoe onderzoeksteams zelf omgaan met het includeren van vrouwen. Wat denk je dat we daarvan kunnen leren?

Ik denk dat het gewoon een heel complex systeem is. Er zit vaak druk achter het vol krijgen van zo’n studie, en er is weinig tijd. Dan kun je je als onderzoeker soms “beter” richten op mensen die sneller ‘ja’ zeggen, en dat zijn vaker mannen. Daardoor vallen vrouwen eerder buiten de boot.

Dat begint eigenlijk al op systeemniveau, bijvoorbeeld bij farmaceuten of sponsoren. Dus daar moet je al dingen inbouwen om het beter te doen. Dat we met elkaar erkennen: het werven van vrouwen kost misschien meer tijd, maar het is wél belangrijk. Dat je die tijd er ook voor moet maken. Je kunt natuurlijk je best doen om vrouwen zo goed mogelijk te werven en het design aan te passen, maar er moet ook op sommige plekken gewoon een cultuurverandering komen, dat we het belangrijk genoeg vinden om daar tijd en aandacht aan te geven.

Wat zou er volgens jou concreet moeten gebeuren om dat te bewerkstelligen?

Ja, dat is een moeilijke vraag. Ik denk dat het vooral belangrijk is dat we goed in kaart brengen waar het precies misgaat. In welke stappen haken vrouwen af? Als we dat beter weten, wordt het ook makkelijker om mensen mee te krijgen in de verandering.

Wat nu ontbreekt, is inzicht in dat soort cruciale momenten. Stel dat we kunnen aantonen: vrouwen doen niet mee aan een studie als die op een bepaalde manier is opgezet, even zwart-wit gezegd, dan geloof ik dat mensen echt bereid zijn om daar iets aan te veranderen. Om het design aan te passen, bijvoorbeeld. Maar zolang we dat nog niet precies weten, blijft het gissen. En dan is het lastig om mensen in beweging te krijgen.

Kun je iets vertellen over de HEARTS-studie, een onderdeel van het MARIE CURIE-project? Wat hoop je daarmee te ontdekken?

In een eerder onderzoek van het MARIE CURIE-project keken we vooral naar het perspectief van onderzoeksteams: welke drempels ervaren zij bij het includeren van vrouwen? In de HEARTS-studie draait het juist om het perspectief van patiënten. We willen allereerst systematisch vastleggen wie er ‘ja’ of ‘nee’ zegt tegen deelname, en of vrouwen dat inderdaad vaker weigeren dan mannen. Dat wordt nu nog niet goed bijgehouden.

Daarnaast onderzoeken we waarom mensen wel of niet meedoen. Zeggen vrouwen om andere redenen ‘nee’ dan mannen? Als we dat beter begrijpen, kunnen we daar in de praktijk op inspelen. Bijvoorbeeld door betere uitleg te geven als de angst voor bijwerkingen een rol speelt, of door de studieopzet aan te passen als het probleem dáár zit. Uiteindelijk hopen we zo bij te dragen aan meer evenwichtige deelname van vrouwen in hartonderzoek.

Wat hoop je dat dit onderzoek uiteindelijk oplevert voor toekomstig hartonderzoek én voor vrouwen zelf?

Ik denk enerzijds dat we toe moeten naar een onderzoekslandschap dat veel meer op vrouwen afgestemd is, hoe we studies opzetten, maar ook hoe we patiënten benaderen. Als dat beter aansluit, zijn vrouwen mogelijk ook meer geneigd om mee te doen. Het uiteindelijke doel is natuurlijk dat we straks medicijnen of andere interventies testen waarvan we ook echt kunnen zeggen dat ze voor vrouwen effectief én veilig zijn. Dat is precies de reden waarom het zo belangrijk is dat er meer vrouwen meedoen aan onderzoek.

Aan welke concrete verbeteringen werken jullie al om deelname van vrouwen aan onderzoek te vergroten?

We hebben in de eerste fase van het onderzoek vooral gewerkt aan het verzamelen van goed onderbouwde data, want er was veel opinie, maar nog weinig harde cijfers beschikbaar. Vanaf september gaan we starten met co-creatiesessies met patiënten, artsen, onderzoekers en mogelijk ook sponsoren. Het doel is om samen te kijken welke tools nodig zijn om de inzichten ook echt over te brengen in de praktijk. Dat klinkt misschien nog wat vaag, maar dat is bewust, we willen juist ontdekken waar in de praktijk behoefte aan is.

Zelf denk ik aan trainingen voor onderzoeksteams over inclusieve werving, maar het kan ook gaan om duidelijke, visuele one-pagers voor patiënten, als aanvulling op het huidige zeer uitgebreide toestemmingsformulier. Die kunnen helpen om de informatie beter te laten landen en het gesprek te ondersteunen. We hebben ook gedacht aan posters in wachtkamers. Alles is erop gericht om drempels te verlagen en communicatie te verbeteren.

Als je over vijf of tien jaar terugkijkt op je promotietraject: wat zou je dan graag bereikt hebben?

Dat is een goede vraag. Ik hoop dan echt te kunnen zien dat het aandeel vrouwen in nieuwe hart- en vaatonderzoeken is gestegen. Dat we met elkaar die cultuuromslag hebben gemaakt, dat zou voor mij betekenen dat mijn promotietraject geslaagd is.

Vind je dat er in de opleiding voor artsen voldoende aandacht wordt besteed aan de man/vrouw-verschillen in hart- en vaatziekten?

Dan moet ik goed even terugdenken. Nou, het feit dat ik er zo over moet nadenken, is eigenlijk al het antwoord. Dus over het algemeen nee, ik kan me nog wel herinneren dat ik een keuzevak heb gevolgd dat gericht was op hart- en vaatziekten, en daarin kwam het onderwerp wel aan bod. Maar ik kan me niet herinneren dat er specifiek aandacht werd besteed aan man/vrouw-verschillen, zeker niet aan verschillen in klachtenpresentatie. Niet alleen binnen de cardiologie, maar eigenlijk breder binnen de geneeskunde. Daar is nog heel weinig aandacht voor.

Het grappige vond ik wel: onlangs gaf ik samen met een collega les aan 5VWO-scholieren tijdens een Summerschool van het Erasmus MC. We hadden een aantal slides opgenomen over man/vrouw-verschillen in hart- en vaatziekten, en die scholieren wisten de antwoorden verrassend snel. Ze gaven zelf al aan dat vrouwen zich vaak anders presenteren dan mannen, bijvoorbeeld bij hartklachten. Die scholieren waren dus al veel meer van de generatie waar dat al doorgedrongen is, dus dat vond ik wel heel mooi om te zien.

Ken je onze website www.vrouwenhart.nl en onze activiteiten op social media?

Ja zeker, de website ken ik goed, ik heb ook al een aantal van de interviews gelezen. Dat vind ik altijd heel inspirerend om te lezen: wat andere mensen beweegt. En ook op social media zie ik jullie regelmatig, vooral op LinkedIn komen jullie vaak voorbij.

Daarnaast werk ik ook samen met jullie aan een aantal onderzoeksprojecten. Binnenkort starten we bijvoorbeeld met een onderzoek naar de voorkeuren van patiënten bij hoe onderzoeken naar nieuwe medicijnen voor hart- en vaatziekten worden opgezet en georganiseerd. We kijken daarbij speciaal naar mogelijke verschillen tussen mannen en vrouwen. Zo willen we weten of vrouwen bijvoorbeeld minder snel meedoen aan een onderzoek als er een kans is dat ze een placebo (neppil) krijgen. Stichting VrouwenHart is vanaf het begin betrokken bij dit onderzoek. Samen hebben we nagedacht over wat we in de vragenlijst willen onderzoeken. Ook hebben we samen de scenario’s getest en dachten jullie mee over hoe we het beste patiënten voor deze studie kunnen werven. Dat heeft mij en de rest van het onderzoeksteam veel nieuwe inzichten gegeven!

In het kader van het Marie Curie-project kijkt Marte systematisch naar waarom vrouwen wel of niet meedoen aan hartonderzoek en wat we daaraan kunnen verbeteren. Meer over haar onderzoek en een recente presentatie vind je op onze website: https://vrouwenhart.nl/onderzoek/deelname-vrouwen-hartonderzoek/

Interview met drs. Marte van der Bijl door Renate Kaal-Poppelaars.

Er is met hart en ziel aan dit artikel gewerkt. Het eigendom ligt dan ook bij Stichting VrouwenHart. We stellen het zeer op zeer prijs als u ons helpt om deze informatie te verspreiden. Doe dat dan alstublieft via de knoppen onder dit artikel. Dan blijft onze naam erbij staan en kunnen geïnteresseerden de rest van onze informatie ook vinden. Mocht u dit artikel op een andere manier willen verspreiden: dat kan ook, maar wel in overleg. Neem dan even contact op met redactie@vrouwenhart.nl . Elke andere wijze van kopiëren of verspreiden is niet toegestaan. Alle columns, interviews en andere redactionele artikelen op deze website zijn eigendom van Stichting VrouwenHart. Deze mogen NIET worden verveelvoudigd, gekopieerd, gepubliceerd, opgeslagen, aangepast of gebruikt in welke vorm dan ook, online of offline, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van onze redactie.

Reacties

Geef een reactie