Preventie en zelfzorg
Waarom dit onderwerp zo belangrijk is
De gezondheidszorg is nog steeds grotendeels gebaseerd op het mannenlichaam. Dat kan grote gevolgen hebben. Vrouwen krijgen vaak verkeerde of late diagnoses. Klachten worden niet altijd direct gekoppeld aan een lichamelijke oorzaak, maar bijvoorbeeld aan stress, overgang of psychische factoren. Daardoor ondergaan vrouwen soms onnodige of verkeerde onderzoeken en behandelingen. Dit kan leiden tot blijvende gezondheidsschade en veel onzekerheid, en brengt ook hoge maatschappelijke kosten met zich mee, jaarlijks minstens € 7,6 miljard.
Wat gaat er mis?
Hart- en vaatziekten treffen net zoveel vrouwen als mannen, maar worden bij vrouwen nog te vaak gemist. Dat komt onder andere doordat klachten zich anders kunnen uiten en omdat bepaalde aandoeningen relatief vaker bij vrouwen voorkomen, zoals SCAD, coronaire vaatdysfunctie, het gebroken hartsyndroom en zwangerschap gerelateerde problemen. Ook kunnen vrouwen soms anders reageren op behandelingen en medicijnen. Vooral vrouwen tussen 40 en 65 jaar lopen extra risico, juist omdat klachten niet altijd direct serieus worden genomen en vrouwen zelf hun klachten soms ook bagatelliseren.
Wat is er nodig?
Om dit te verbeteren is er op meerdere plekken tegelijk winst te behalen: in kennis, in onderzoek en in opleiding.
1. Kennis verspreiden
Allereerst helpt het als er in de hele zorgketen meer bewustzijn is over verschillen tussen mannen en vrouwen, bij de huisarts, cardioloog, SEH en bedrijfsarts. Daarnaast is het belangrijk dat bestaande kennis beter vindbaar en toegankelijk wordt, zodat zorgverleners én patiënten er sneller bij kunnen.
2. Wetenschap en onderzoek
Ook wetenschap en onderzoek moeten beter aansluiten. Er zijn meer studies nodig die vrouwen includeren, nu is ongeveer 85% van het onderzoek gebaseerd op mannen. Tegelijk is er meer gericht onderzoek nodig naar aandoeningen die relatief vaak bij vrouwen voorkomen, zoals SCAD, coronaire vaatdysfunctie, hartritmestoornissen, takotsubo, hartfalen en zwangerschap gerelateerde problemen. Tot slot is het belangrijk om medicatie en revalidatieprogramma’s beter af te stemmen op vrouwen.
3. Opleiding van zorgprofessionals
Daar hoort ook opleiding bij. Vrouwenhartgezondheid moet een vast onderdeel zijn van de medische opleiding. En daarnaast helpt het als er structureel aandacht is voor goed luisteren, heldere uitleg en het vermijden van aannames, juist omdat die vaardigheden in de praktijk vaak het verschil maken.
Positieve ontwikkelingen
Gelukkig is er ook goed nieuws. Er is steeds meer onderzoek naar verschillen in hart en vaten tussen mannen en vrouwen, en een groeiende groep artsen staat open voor man-vrouwverschillen in klachten en behandeling. Ook zien we meer aandacht voor vrouwgerichte hartrevalidatie en voor passende dosering van medicijnen bij vrouwen. Daarnaast groeit de samenwerking tussen artsen, onderzoekers en ervaringsdeskundigen, bijvoorbeeld via lotgenotencontact en organisaties zoals Stichting VrouwenHart.
Conclusie
Vrouwen zijn geen ‘kleine mannen’: hun hart werkt anders en moet ook anders worden onderzocht en behandeld. Om dit te bereiken is het belangrijk dat onderzoek, richtlijnen en zorg beter aansluiten op verschillen tussen mannen en vrouwen. Investeren in vrouwgerichte zorg is investeren in de hele samenleving. Dat vraagt om sneller en beter onderzoek, meer ruimte voor bewustwording en bijscholing in de zorg, meer samenwerking met patiënten en ervaringsdeskundigen, en volwaardige aandacht voor sekse- en genderverschillen in de zorg.
Wat kun je zelf doen?
Je kunt zelf veel doen met leefstijlfactoren. Stop met roken, let op je gewicht, eet en drink gezond, zorg voor voldoende beweging en slaap, en leer omgaan met stress. Er bestaat geen vaste formule voor een hartgezond leven: het gaat om het vinden van een persoonlijke balans die bij jou past.
Daarnaast helpt het om de tijd te nemen om bijsluiters te lezen en te weten wat je gebruikt en waarom. Controleer regelmatig je bloeddruk, dat kan thuis of via je huisarts. Twijfel je of iets klopt, trek dan aan de bel bij je arts.
Ga je naar een arts, bereid je dan goed voor. Arts en patiënt dragen samen verantwoordelijkheid. Schrijf klachten en vragen op, noteer relevante informatie, neem eventueel iemand mee, en wees open en eerlijk. Voel je je niet gehoord, vraag dan om extra uitleg, aanvullend onderzoek, een verwijzing of een second opinion. Blijf vragen stellen totdat je het goed begrijpt, en neem de tijd om beslissingen over behandeling en medicatie te overwegen.