Delen op
28 mei 2026

Een hartpleister met levende hartcellen: nieuwe hoop bij ernstig hartfalen?

Tijdens de Nationale Hartfalenweek vroeg UMC Utrecht aandacht voor een bijzondere ontwikkeling in het onderzoek naar ernstig hartfalen: een hartpleister met levende hartcellen. Het klinkt bijna als iets uit de toekomst, maar achter dit idee zit jarenlang onderzoek naar stamcellen, hartspiercellen, beeldvorming en regeneratieve geneeskunde.

Bij ernstig hartfalen werkt het hart zo slecht dat gewone behandelingen niet altijd meer voldoende zijn. Voor sommige patiënten blijven dan alleen zeer ingrijpende opties over, zoals een steunhart of een harttransplantatie. Die behandelingen kunnen levensreddend zijn, maar ze herstellen het beschadigde hartweefsel zelf niet.

Juist daarom zoeken onderzoekers naar nieuwe manieren om het hart niet alleen te ondersteunen, maar mogelijk ook te helpen herstellen.

#Wat is een hartpleister?

De hartpleister is geen gewone pleister, maar een stukje levend hartweefsel. Onderzoekers maken dit weefsel in het laboratorium uit hartspiercellen die zijn gekweekt uit stamcellen. Deze cellen groeien uit tot een klein stukje functionerend hartspierweefsel dat kan samentrekken, net als het eigen hart.

Het gaat dus niet om losse cellen die zomaar op het hart worden aangebracht. De bedoeling is dat er een stukje werkende hartspier ontstaat dat op een beschadigd deel van het hart kan worden geplaatst.

Daar kan de pleister het hart mogelijk ondersteunen bij het rondpompen van bloed.

Voor welke vorm van hartfalen?

De hartpleister wordt vooral onderzocht voor patiënten met ernstig, vergevorderd hartfalen waarbij de hartspier beschadigd is en niet meer krachtig genoeg samentrekt. Dat past vooral bij hartfalen met verminderde pompfunctie, ook wel HFrEF genoemd.

Dat is iets anders dan HFpEF, hartfalen met behouden pompfunctie. Bij HFpEF knijpt het hart meestal nog wel goed samen, maar ontspant en vult het minder goed. De klachten kunnen ernstig zijn, maar het onderliggende probleem is anders.

De hartpleister zoals die nu wordt onderzocht, richt zich juist op situaties waarin hartspierweefsel beschadigd is geraakt, bijvoorbeeld na een hartinfarct. Een deel van de hartspier doet dan minder goed mee met pompen, waardoor de pompkracht van het hart afneemt.

Daarom moeten we dit onderzoek niet presenteren als een mogelijke behandeling voor alle vormen van hartfalen. Het gaat vooral om ernstig hartfalen waarbij verlies van goed werkende hartspier en verminderde pompkracht een belangrijke rol spelen.

 Waarom is dit onderzoek belangrijk?

Hartfalen komt veel voor en heeft grote invloed op het dagelijks leven. Mensen met hartfalen kunnen last hebben van benauwdheid, vermoeidheid, vocht vasthouden en minder inspanning kunnen leveren. Bij ernstig hartfalen kan de kwaliteit van leven sterk afnemen.

In Nederland leidt hartfalen jaarlijks tot tienduizenden ziekenhuisopnames. De behoefte aan nieuwe behandelopties is daarom groot, zeker voor mensen bij wie bestaande behandelingen niet genoeg helpen.

De hartpleister kan in de toekomst mogelijk een minder ingrijpende behandeloptie worden voor een deel van deze patiënten. Maar zover is het nog niet. Eerst moet goed begrepen worden hoe de pleister precies werkt, wat er in het lichaam gebeurt en bij welke patiënten deze behandeling wel of niet geschikt zou kunnen zijn.

Een stukje werkende hartspier

Het bijzondere aan de hartpleister is dat de cellen zich kunnen gedragen als hartspiercellen. In het laboratorium kunnen ze samentrekken, net als gewone hartspier. Het doel is dat de pleister na plaatsing op het hart op zijn plek blijft en het beschadigde gebied ondersteunt.

Dat maakt dit onderzoek anders dan behandelingen die vooral gericht zijn op het verlichten van klachten of het ondersteunen van de bloedsomloop. De hartpleister probeert aan te sluiten bij een grotere vraag binnen de hartzorg: kunnen we beschadigd hartweefsel ooit helpen herstellen?

Dat is een grote stap. En juist daarom is zorgvuldig onderzoek nodig.

Wat gebeurt er ín die pleister?

Uit dierstudies blijkt dat de hartfunctie kan verbeteren na plaatsing van een hartpleister. Maar onderzoekers willen niet alleen weten óf de hartfunctie verbetert. Ze willen vooral begrijpen hóé dat gebeurt.

Daar richt arts-onderzoeker Lano Osman van UMC Utrecht zich op. Hij onderzoekt de metabole gezondheid van de cellen in de hartpleister. Dat betekent dat hij kijkt naar de energiehuishouding van de cellen: gebruiken ze energie, blijven ze actief en dragen ze daadwerkelijk bij aan de werking van het hart?

Dat is belangrijk, want levende hartcellen moeten niet alleen aanwezig zijn. Ze moeten ook functioneren.

Als de cellen in de pleister energie verbruiken, is dat een aanwijzing dat ze actief zijn. En als ze actief zijn, kunnen onderzoekers beter beoordelen of ze mogelijk bijdragen aan verbetering van de hartfunctie.

Kijken zonder te snijden

Voor dit onderzoek werkt UMC Utrecht met geavanceerde MRI-technieken, waaronder een krachtige 7T MRI-scanner. Daarmee kunnen onderzoekers op een niet-invasieve manier kijken hoe actief de cellen in de pleister zijn.

Niet-invasief betekent dat er niet opnieuw in het lichaam gesneden hoeft te worden om informatie te krijgen. Dat is belangrijk, zeker als deze techniek later ook bij patiënten gebruikt zou kunnen worden.

Met deze MRI-technieken hopen onderzoekers beter zichtbaar te maken wat er in de hartpleister gebeurt. Werken de cellen nog? Gebruiken ze energie? Blijven ze gezond? En verschilt dit per patiënt of per situatie?

Die kennis is nodig om de behandeling verder te ontwikkelen.

Nog geen standaardbehandeling

Het is belangrijk om duidelijk te zijn: de hartpleister is nog geen standaardbehandeling voor patiënten met hartfalen. Het gaat om een veelbelovende ontwikkeling binnen wetenschappelijk en klinisch onderzoek.

Er zijn nog veel vragen. Werkt de pleister bij iedereen hetzelfde? Welke patiënten hebben er mogelijk het meeste baat bij? Hoe lang blijven de cellen actief? Hoe veilig is de behandeling op langere termijn? En hoe kan dit uiteindelijk een plek krijgen naast bestaande behandelingen?

Die vragen moeten zorgvuldig worden beantwoord voordat een nieuwe behandeling breder beschikbaar kan worden.

Waarom dit ook voor vrouwen belangrijk is

Voor Stichting VrouwenHart is dit soort onderzoek belangrijk om te volgen. Hartfalen komt bij vrouwen veel voor, maar wordt niet altijd op tijd herkend. Ook kunnen klachten bij vrouwen anders worden geïnterpreteerd of minder snel aan het hart worden gekoppeld.

Daarbij is hartfalen niet één ziekte. Er zijn verschillende vormen, met verschillende oorzaken en verschillende mechanismen. HFpEF komt relatief vaak voor bij vrouwen, zeker op latere leeftijd. HFrEF kan ontstaan na schade aan de hartspier, bijvoorbeeld na een hartinfarct.

Juist daarom is het belangrijk dat onderzoek naar nieuwe behandelingen goed beschrijft voor welke patiëntengroep een behandeling bedoeld is. Werkt een behandeling hetzelfde bij vrouwen en mannen? Worden vrouwen voldoende meegenomen in studies? En wordt er gekeken naar verschillen in leeftijd, hormonen, vaatfunctie, eerdere zwangerschapscomplicaties en andere factoren die bij vrouwen een rol kunnen spelen?

Nieuwe hartzorg is pas echt vooruitgang als die ook passend is voor de mensen voor wie de behandeling bedoeld is.

Samenwerking tussen onderzoek en praktijk

Het onderzoek naar de hartpleister is een samenwerking tussen verschillende onderzoeksgroepen en internationale partners. Binnen UMC Utrecht en Regenerative Medicine Utrecht werken onderzoekers aan de ontwikkeling en het beter begrijpen van deze behandeling. Ook zijn er samenwerkingen met de Universiteit van Göttingen en het bedrijf Repairon.

Dat laat zien hoe complex dit soort innovatie is. Het vraagt samenwerking tussen cardiologie, stamcelonderzoek, beeldvorming, regeneratieve geneeskunde en klinische zorg.

Voorzichtig optimisme

De hartpleister is geen eenvoudige oplossing en ook geen behandeling voor morgen. Maar het is wel een ontwikkeling die laat zien hoe hartzorg in de toekomst kan veranderen.

Van alleen ondersteunen naar mogelijk ook herstellen.

Van behandelen wat al beschadigd is naar beter begrijpen hoe levend hartweefsel het hart kan helpen.

En van één algemene benadering naar behandelingen die misschien steeds beter afgestemd kunnen worden op de individuele patiënt.

Voor mensen met ernstig hartfalen is hoop belangrijk. Maar hoop moet zorgvuldig en eerlijk blijven. Dit onderzoek is daarom vooral een belangrijke stap: niet omdat alle antwoorden er al zijn, maar omdat onderzoekers precies proberen te begrijpen wat er gebeurt voordat de behandeling breder naar patiënten kan gaan.

Meer lezen

Dit artikel is gebaseerd op het nieuwsbericht van UMC Utrecht over het onderzoek naar de hartpleister met levende hartcellen.

Lees het oorspronkelijke artikel van UMC Utrecht hier:

https://www.umcutrecht.nl/nieuws/een-pleister-met-levende-hartcellen

Reacties

Geef een reactie